Over sleutels, nostalgie en vriendschap

“Nee Lien, je bent ze niet kwijt.” Zoals altijd heeft mijn beste vriend gelijk want mijn sleutels zitten gewoon in mijn tas. Kalm en licht verslagen schudt hij zijn hoofd terwijl ik in blinde paniek in mijn zakken graai en in mijn hoofd de plekken naloop waar ik die dag ben geweest. “Geef maar hier die tas.” Hij schudt er twee keer argeloos mee en bij het horen van gerinkel verandert mijn wanhopige blik in een brede glimlach. “Lien je bent echt vreselijk weet je dat.” Ja dat weet ik.

Ik snap wel dat hij mijn overtrokken sleutel-commotie niet serieus neemt maar er was ooit een tijd waarin ik met het oog op zelfredzaamheid zelfs twee setjes sleutels heb moeten aanschaffen. Een tijd waarin ik standaard te laat kwam omdat ik bij het verlaten van mijn huis géén idee had waar ik die dingen had gelaten. Waarin ik als een bezeten opsporingsdienst mijn huis overhoop haalde om ze tegen de tijd dat ik de moed allang had opgegeven, op het toilet te vinden. Ik ben ze drie dagen kwijt geweest op de meterkast van een vriendin en meerdere keren tussen de verse groeten op de markt. “Zijn dit misschien jouw sleutels?” Hoe vaak ik die zin wel niet gehoord heb. Op slechte dagen was ik zelf mijn beide setjes kwijt.

Van de week realiseerde ik me ineens waarom ik altijd mijn sleutels gedachteloos op gekke plekken leg. Of houd ik me althans voor, hier een verklaring voor te hebben gevonden. Het zit namelijk zo. In de achttien jaar dat ik bij mijn ouders in het dorp woonde hadden sleutels geen enkele betekenis voor me. Mijn fiets zette ik los naast het huis en de achterdeur was altijd open. Alle achterdeuren bij ons in de straat waren open. Sommigen waren wel een soort van dicht maar hadden een touwtje door de brievenbus. Als je suiker wilde lenen stapte je gewoon naar binnen en riep je VOLLUK naar boven. Het was de tijd van de computerkamers op de eerste etage.

Op de zeldzame dagen dat ik wel een dichte deur trof en ik ook nog eens de sleutel onder de bloempot was kwijtgeraakt – mijn moeder laaiend – was daar dan nog altijd mijn grote redding. De rage die mij op het lijf geschreven was.. De rage van de keycords.  Lang heb ik geprobeerd deze rage hip te houden maar toen deze echt afliep en ik geen loser wilde lijken was ik reddeloos verloren. Dus tot de tijd dat het weer vet gaaf is om als gefrustreerde conciërge met een teveel zelfvertrouwen en fictieve autoriteit rond te lopen, draai ik mijn beste vriend gek. Hij is mijn sleutel tot onze vrienschap.

Reageer