De toenemende ontluistering

“De door omstanders ervaren toenemende ontluistering.”

Ik lees deze zin in het boek gezondheidsrecht dat ik leer voor mijn tentamen en mijn gedachtes schieten direct naar hem. Mijn grote vriend. Mijn opa. En hoe ik daar zo zat aan zijn bed. Ik durfde hem nauwelijks aan te raken want hij leek zo broos en telkens viel hij weg. De toenemende ontluistering. Om vervolgens weer te ontwaken en me aan te kijken met ogen die nog veel meer wilden zien en me te herkennen. Heey daar is mijn grote vriendin. Hoe is het met jou? We praten even, steeds onderbroken door zijn gang naar boven en dan weer terug naar mij. Langzaam word ik wanhopig en ik smeek hem om niet te gaan, we hadden het afgesproken. Honderd zou hij worden. Het lukt me niet om de verwijtende toon in mijn stem achterwege te laten. Direct voel ik me schuldig. Hoe kan ik nou een stervende man op zijn tekortkoming wijzen. Op dit punt weet ik het allemaal niet meer en ik wou dat ik weg kon lopen en tegelijkertijd zou ik het moment voor eeuwig willen bevriezen. Ik neem me voor om elk woord dat hij nu nog tegen me zegt te etsen in mijn geheugen maar ik voel hoe mijn verdriet de hele boel warrig maakt. Dan neemt hij de leiding in het gesprek en laat hij zich nog één keer aan mij zien. Nou lieverd als ik je niet meer zie, een fijne reis he. Hij bedoelt terug naar Groningen. Ik weet alleen nog dat ik zei ja opa, jij ook een fijne reis. De toenemende ontluistering. En daar ging hij weer.

Reageer